Veelgestelde vragen

U bent hierHomeVeelgestelde vragen

Resultaten

Zijn aanstekers, viltstiften en markers voorwerpen? En moeten deze wel of niet geëtiketteerd?

Voor voorwerpen gelden specifieke verplichtingen op grond van de REACH-verordening. Het REACH Richtsnoer ten aanzien van verplichtingen voor stoffen in voorwerpen geeft meer uitleg bij de definitie van een voorwerp en bespreekt enkele grensgevallen.

Voorwerpen vallen niet onder de CLP-verordening. Daarom hoeven zij niet conform de CLP-verordening te worden ingedeeld, geëtiketteerd en/of verpakt. Als iets een houder is met daarin een stof of mengsel, dan gelden voor de stof of het mengsel echter wel de CLP verplichtingen.

Bij viltstiften en markers is sprake van een houder met daarin een stof of mengsel - net als een gewone balpen en een toner cartridge - waardoor voor de stof of mengsel CLP van toepassing is. In analogie is een aansteker ook een houder met daarin een stof of mengsel. Aanstekers, viltstiften en markers moeten dus conform de CLP Verordening worden ingedeeld, geëtiketteerd en verpakt.

Door ongevaarlijke stoffen te gebruiken hoeven geen CLP waarschuwingen op het artikel of de verpakking te worden geplaatst.

Het is de verantwoordelijkheid van leveranciers om op basis van de wettekst en eventueel aan de hand van het Richtsnoer, producten in overeenstemming te brengen met REACH en waar nodig CLP. 

Als ik gebruik maak van voorgedrukte diamanten met een rode rand mag ik dan de 'extra'ndiamanten leeg laten?

De gevarenpictogrammen zijn specifiek bedoeld om de informatie over gevaarlijke stoffen en mengsels te communiceren. Op het etiket mag dus alleen informatie staan die in dat kader relevant is (zie daarvoor artikel 17). In de praktijk gebruiken bedrijven vaak voorgedrukte etiketten met lege diamanten die in een tweede stap door middel van printen worden voorzien van de vereiste gevarenpictogrammen. Hierbij kunnen een of meerdere lege diamanten overblijven op het etiket. Deze 'extra' lege diamanten kunnen twijfel zaaien en mogen dus niet op het etiket zichtbaar zijn (zie artikel 25, lid 3). Als het gebruik van lege diamanten niet te voorkomen is, dan is het de aanbeveling om deze in zijn geheel met een egaal zwart vlak af te dekken (overprinten). Dit is nodig om verwarring of twijfel over de interpretatie van lege diamanten te voorkomen.

Mag ik op het etiket ook zwarte pictogrammen gebruiken of is de rode rand verplicht?

Nee, u mag geen alternatieve pictogrammen gebruiken. Het gebruik van de witte diamant met de rode rand met daarin het gevarenpictogram is verplicht. Zie daarvoor artikel 19 en bijlage I

Waar kan ik de nieuwe R- en S-zinnen vinden?

De R- en S-zinnen zijn na de  inwerkingtreding van de CLP verordening vervangen door H-, EUH- en P-zinnen. Deze H-, EUH- en P-zinnen staan in twee bijlagen van de verordening. In annex III staan de H- en EUH-zinnen. In annex IV kunt u de nieuwe P-zinnen terugvinden. De definitieve versie van de van de CLP verordening (november 2008) kunt u downloaden op de pagina Wetgeving.

Kan ik zondermeer de oude pictogrammen op het etiket vervangen door de nieuwe pictogrammen?

Nee, dit kan niet. Naast andere eisen aan de etikettering van gevaarlijke stoffen en mengsel, gelden er ook andere criteria om stoffen en mengsels in te delen (bijlage I van de verordening). Als u een fabrikant, importeur of downstreamgebruiker bent, dan moet u de stoffen of mengsels opnieuw beoordelen. Voor stoffen moest dit uiterlijk op 1 december 2010 gebeuren. Voor mengsels is de deadline 1 juni 2015. Zie ook.  Zie ook de overgangsperiode op website.

Hoe kan ik aan het etiket zien dat ik te maken heb met een CMR-stof?

Op het etiket van een CMR-stof moet altijd het pictogram GHS08 (Radient Man) gecombineerd met de H-zin van de bijbehorende gevarenklasse staan. Daarnaast moet het etiket ook het signaalwoord 'gevaar' of 'waarschuwing' vermelden. Welk signaalwoord op het etiket staat is afhankelijk van de gevarencategorie (1A, 1B of 2). De gevarencodes H340, H350 en/of H360 worden gebruikt bij CMR stoffen categorie 1A of 1B (de zwaarste categorieën). Voor categorie 2 worden de gevarencodes H341, H351 en H361 gebruikt. De gevarencategorieën met bijbehorende H-zin en signaalwoord zijn terug te vinden in Bijlage I, tabel 3.5.3 (mutagene stoffen), tabel 3.6.3 (kankerwerkende stoffen) en tabel 3.7.3 (reprotoxische stoffen). Als voor een CMR-stof een geharmoniseerde indeling bestaat, moet deze indeling op het etiket staan. Geharmoniseerde indelingen zijn te vinden in Bijlage VI.

Wat is de procedure voor het komen tot een geharmoniseerde indeling van een stof?

Indelingsvoorstellen voor stoffen worden besproken in het Comité risicobeoordeling dat in het kader van de REACH Verordening is ingesteld. Dit Comité brengt binnen 18 maanden na ontvangst van het indelingsvoorstel een advies uit. Betrokken partijen worden gedurende de publieke consultatie in de gelegenheid gesteld te reageren op het voorstel. ECHA publiceert het advies van het Comité Risicobeoordeling op haar website. Ook zendt ECHA het advies en de eventuele opmerkingen aan de Europese Commissie. De Europese Commissie beoordeelt het advies en stelt een concept besluit op dat vervolgens via een procedure van comitologie wordt vastgesteld (artikel 37, lid 5). De wettelijke termijn voor vaststelling van het besluit via comitologie is drie maanden (artikel 54, lid 2). De behandeling door de Commissie, het opstellen van een conceptbesluit en het proces van comitologie zijn niet openbaar. Slechts na officiële publicatie van de nieuwe geharmoniseerde classificatie wordt deze -met in acht neming van een overgangstermijn-  wettelijk bindend. De totale doorlooptijd van de procedure om te komen tot een geharmoniseerde indeling en etikettering is naar schatting 2 tot 5 jaar.

Artikel 37 van de CLP verordening, in bijzonder lid 4 en 5, beschrijft de procedure voor de harmonisatie van de indeling en etikettering van stoffen. Voor meer informatie over de procedure zie de volgende pagina van CLP helpdesk of de website van ECHA.

Worden de P-zinnen in de CLP-inventaris vermeld?

Nee, de P-zinnen (voorzorgsmaatregelen) staan niet in de CLP-inventaris. Dit komt omdat de P-zinnen direct gekoppeld zijn aan de geïdentificeerde vormen van gebruik van de stof of het mengsel. Leveranciers moeten deze zelf vaststellen. Dit kan aan de hand van de criteria uit de CLP-verordening. De bepalingen over de veiligheidsaanbevelingen staan in artikel 22 en 28 van de verordening. De tabellen in Bijlage I (deel 2 t/m 5) bevatten voor elke gevarenklasse een lijst van mogelijk P-zinnen. De volledige lijst met P-zinnen met criteria staat in Bijlage IV. Hoofdstuk 7 van de Richtsnoer voor etikettering en verpakking geeft een toelichting hoe u het juiste aantal P-zinnen kunt selecteren.

Komt een stof die onder de Stoffenrichtlijn is geclassificeerd als carcinogeen, categorie 3 in aanmerking voor opname in bijlage XIV van REACH?

Nee, een stof die geclassificeerd is als carcinogeen, categorie 3 (Xn,R40) volgens de Stoffenrichtlijn (67/548/EEC), voldoet niet aan de criteria van artikel 57 van REACH. Daarom komt de stof niet in aanmerking voor opname in Annex XIV van REACH (kandidaatslijst, SVHC stoffen). Ook na 1 december 2010 valt deze stof met de corresponderende CLP indeling als carcinogeen, categorie 2 (H351, signaalwoord: waarschuwing) niet onder de criteria van artikel 57 (a)(b)(c) van REACH. Dit geldt alleen voor CMR-stoffen geclassificeerd als categorie 1A en 1B.

Wat betekent het voor een bedrijf (fabrikant, importeur of downstream gebruiker) als een stof genoemd wordt op SZW-Lijst van kankerverwekkende, mutagene en voor de voortplanting giftige stoffen?

Vermelding van een stof op de SZW-lijst heeft tot gevolg dat de bijzondere wettelijke voorschriften voor kankerverwekkende (C), mutagene (M) of voor de voortplanting giftige stoffen (R)van toepassing zijn. Daarnaast kan de vermelding op de SZW-lijst ook gevolgen hebben voor de indeling van de stof (etikettering) en voor het Vib.

Wat is de relatie van CLP met REACH?

Om te voldoen aan de registratieverplichtingen van REACH verzamelen bedrijven informatie over chemische stoffen. Deze informatie vormt de basis voor de indeling en etikettering van de stoffen als onderdeelvan het registratiedossier. Bepaalde verplichtingen in REACH zijn verder ook afhankelijk van de classificatie van een stof.

Na invoering van de CLP zijn de REACH-bepalingen over de indeling en etikettering (titel XI) vervallen. De REACH-verordening verwijst nu naar CLP. Ook is het begrip preparaat verandert in mengsel en zijn enkele artikelen gewijzigd.

Voor sommige stoffen en mengsels kan de indeling onder CLP ten opzichte van de oude wetgeving veranderen.

Bevat CLP ook regels over de etikettering van stoffen die gebruikt worden op de werkplek?

Nee, niet direct. De CLP verordening bevat alleen verplichtingen voor stoffen en mengsels die in de handel worden gebracht. He etiketteren van stoffen en mengsels die gebuikt worden op de werkplek is geregeld in het Arbeidsomstandighedenbesluit. Het Arbeidsomstandighedenbesluit verwijst vervolgens naar de CLP verordening. Voor meer informatie zie artikel 4.1d. van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

Wat is de SZW-Lijst van kankerverwekkende, mutagene en voor de voortplanting giftige stoffen (hierna: de SZW-lijst)?

De SZW-lijst bestaat uit die stoffen die op grond van EU-criteria door Europa of door de Gezondheidsraad zijn ingedeeld als kankerverwekkend, mutageen of giftig voor de voortplanting of combinaties van deze indelingen.

De SZW-lijst geeft invulling aan de volgende wettelijke termen:

  • kankerverwekkende stoffen (art 4.11, onderdeel b Arbeidsomstandighedenbesluit)
  • kankerverwekkende processen (art 4.11, onderdeel c Arbeidsomstandighedenbesluit)
  • mutagene stoffen (art 4.11, onderdeel d Arbeidsomstandighedenbesluit)
  • voor de voortplantingvergiftige stoffen (art 4.2a Arbeidsomstandighedenbesluit)

Deze stoffen worden ook wel gezamenlijk aangeduid als CMR-stoffen: carcinogene (kankerverwekkende), mutagene en reprotoxische stoffen) Deze niet-limitatieve lijst helpt de werkgevers om aan hun Arbo-verplichtingen voor CMR-stoffen te voldoen. Stoffen met deze eigenschappen moeten door bedrijven volgens een apart Arbo regime worden behandeld. Ga voor meer informatie hierover naar de betreffende

Deze niet-limitatieve lijst helpt de werkgevers om aan hun Arbo-verplichtingen te voldoen voor CMR-stoffen. Stoffen met deze eigenschappen moeten door bedrijven volgens een apart Arbo regime worden behandeld. Ga voor meer informatie hierover naar de betreffende pagina in het Arboportaal. Het is op grond van Hoofdstuk 4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit de taak van de werkgever om afdoende beschermende maatregelen te treffen.

De Arbo-verplichtingen voor CMR-stoffen gelden voor alle als zodanig in te delen stoffen. Ze  zijn dus ook van toepassing op stoffen die (nog) niet door de EU of de Gezondheidsraad zijn ingedeeld. Echter, een bedrijf beschikt over stofinformatie op basis waarvan een indeling van de stof als kankerverwekkende (C), mutageen (M) of voor de voortplanting giftig volgt (bijvoorbeeld op basis van een veiligheidsinformatieblad verstrekt door een leverancier). Als een stof aan de EU-criteria voldoet, moet deze als zodanig worden behandeld.

Bevat CLP ook regels over de werkplek etikettering?

Nee, niet direct. De CLP verordening bevat alleen verplichtingen voor stoffen en mengsels die in de handel worden gebracht. He etiketteren van stoffen en mengsels die gebuikt worden op de werkplek is geregeld in het Arbeidsomstandighedenbesluit. Het Arbeidsomstandighedenbesluit verwijst vervolgens naar de CLP verordening. Voor meer informatie zie artikel 4.1d. van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

Hoe moet een bedrijf bij de zelfindeling van een stof omgaan met een eventuele RAC-advies over indeling van de stof?

Het Comité risicobeoordeling (RAC) brengt na een grondige evaluatie van de beschikbare informatie een advies (opinie) uit over een voorstel voor de geharmoniseerde indeling van een stof. In het handhavingsplatform FORUM hebben de gezamenlijke inspectiediensten van de EU lidstaten afgesproken dat inspecties een RAC-opinie over geharmoniseerde indeling van een stof beschouwen als nieuwe en zwaarwegende informatie die bedrijven bij zelfindeling van een stof dienen mee te nemen.

Zelfindeling door bedrijven dient namelijk te gebeuren op basis van alle beschikbare informatie. Een gepubliceerde RAC-opinie is voor bedrijven beschikbaar en omdat het een mening is van een wetenschappelijk comité dat is uitgerust voor deze beoordeling, dient een beschikbare RAC-opinie relatief veel gewicht in de schaal te leggen bij de zelfclassificatie. Als een RAC-opinie als nieuwe informatie beschikbaar komt en deze informatie gevolgen heeft voor de indeling van de stof of een mengsel dat een bedrijf in de handel brengt, dan moet het bedrijf zonder uitstel een nieuwe evaluatie van de indeling uitvoeren (artikel 15 lid 1 CLP).

Alle RAC-adviezen worden op de website van ECHA gepubliceerd.

Titel V van de CLP Verordening gaat over de harmonisatie van indeling en etikettering. Wat wordt hiermee bedoeld?

CLP  onderscheidt het zelf indelen en de geharmoniseerde indeling van stoffen. De beslissing voor een geharmoniseerde indeling van een stof is genomen op EU-niveau. Geharmoniseerde indelingen staan in deel 3 van bijlage VI en kunnen voor alle gevarenklassen of een deel van de gevarenklassen gelden. Als van een stof een geharmoniseerde indeling bestaat, dan is het verplicht deze over te nemen.

Bedrijven moeten stoffen waarvoor geen of maar voor een deel een geharmoniseerde indeling bestaat zelf indelen (zie ook vraag 2). Bedrijven moeten mengsels altijd zelf indelen, omdat daarvoor geen geharmoniseerde indelingen bestaan.

Moeten voorwerpen worden ingedeeld voordat ze op de markt worden gebracht?

Nee, normaal gesproken niet. De verplichting om voorwerpen in te delen, geldt alleen voor fabrikanten of importeurs van bepaalde explosieve voorwerpen die voldoen aan de definitie van deel 2.1 van bijlage I van de verordening. Deze verplichting geldt ook voor fabrikanten en importeurs van voorwerpen die stoffen bevatten die vallen onder de registratie- of meldingsplicht van REACH (artikel 6, 7 en 9). Dit voor zover die stoffen niet voor dat gebruik zijn geregistreerd (art. 4, lid 2). Hieronder valt ook de indeling van de stoffen in voorwerpen die gebruikt worden voor onderzoek en ontwikkeling gericht op producten en procedés (PPORD).

Moet ik tijdens de overgangstermijn dubbel etiketteren (oud en nieuw)?

Nee, dat mag niet. Volgens artikel 61, lid 2 is het mogelijk om in de overgangsperiode (tot 1 december 2010 voor stoffen en tot 1 juni 2015 voor mengsels) stoffen of mengsels vrijwillig volgens CLP in te delen. Als een bedrijf ervoor kiest om voor genoemde data de indeling, etikettering en het verpakken volgens CLP te doen, dan gelden de etiketterings- en verpakkingsbepalingen van de Stoffenrichtlijn (67/548/EEG) en Preparatenrichtlijn (1999/45/EG) niet meer. Wel moeten in dat geval stoffen en mengsels worden ingedeeld volgens de CLP richtlijnen.

Vanaf 1 juni 2015 zijn de Stoffen- en Preparatenrichtlijnen komen te vervallen. Vanaf 1 juni 2015 mag indeling, verpakking en etikettering uitsluitend plaatsvinden volgens de CLP richtlijnen.

Zijn dierproeven nodig voor gezondheid en milieu indelingen conform de CLP verordening?

CLP  bevat geen verplichting om dierproeven uit te voeren voor het indelen van stoffen. In de verordening staat duidelijk dat het uitvoeren van nieuwe dierproeven alleen is toegestaan als alle andere mogelijkheden om betrouwbare en adequate informatie te genereren voor de indeling zijn benut. Dit omvat ook het toepassen van de regels hiervoor uit deel 1 van bijlage XI van de REACH verordening. Deze regels refereren aan het gebruik van bestaande informatie, het gebruik van testgegevens die niet zijn verkregen op basis van GLP (Good Laboratory Practice), het gebruik van historische gegevens in de mens, het toepassen van weight of evidence en het gebruik van (Q)SAR, in-vitro methoden en read across. Om de criteria toe te passen is de beoordeling door materiedeskundigen vereist. Dit geldt bijvoorbeeld voor de evaluatie van beschikbare testgegevens waarop de geldende criteria niet direct toepasbaar zijn of het gebruik van beschikbare gegevens van mengsels vergelijkbaar aan het in te delen mengsel. Testen met apen zijn verboden.

Wat mengsels betreft, geeft CLP in Bijlage I van de Verordening rekenregels voor het indelen van mengsels voor gezondheids- en milieugevaren op basis van de concentraties en voor indeling van de ingrediënten van het mengsel. Hiermee worden dierproeven voorkomen.

CLP verlangt geen dierproeven. Testgegevens kan onderdeel kan zijn van de REACH registratie van stoffen welke voor stoffen in principe de juiste indeling/ classificatie moet genereren.

Zijn testen nodig voor het vaststellen van fysische gevaren?

Voor de indeling op basis van de fysische gevaren moeten stoffen en mengsels worden getest tenzij al adequate en betrouwbare informatie beschikbaar is. De fysische gevaren van stoffen en mengsels moeten worden bepaald aan de hand van testmethoden of normen genoemd in deel 2 van Bijlage I van de CLP verordening. Deze zijn bijvoorbeeld te vinden in het VN Handboek voor testen en criteria.

Hoe kunnen alternatieve testmethoden voor dierproeven worden gebruikt?

CLP moedigt het gebruik van alternatieve test- en niet-testmethoden aan en verwijst daarbij naar bijlage XI van REACH. Omdat de resultaten van alternatieve test- en niet-testmethoden mogelijk niet direct corresponderen met de indelingscriteria, moeten ze door deskundigen geëvalueerd worden waarbij onderbouwing met bewijsmateriaal de doorslag moet geven.

Als ik een stof of mengsel importeer van buiten de Europese Unie, moet ik het etiket dan omlabelen?

Ja, want ondanks VN-GHS zijn de verplichtingen ten aanzien van indeling en etikettering buiten de EU niet (altijd) gelijk aan de verplichtingen binnen de EU. U moet de stof of het mengsel opnieuw beoordelen aan de hand van de indelingscriteria in de Europese verordening CLP. Ook al heeft het betreffende land de VN-GHS regels in eigen wetgeving geïmplementeerd, dan kan het toch voorkomen dat er verschillen zijn. De individuele landen zijn namelijk niet verplicht om het gehele classificatiesysteem van VN-GHS over te nemen.

Waar moet u een verzoek indienen voor het gebruik van een alternatieve chemische naam op het etiket of in het veiligheidsinformatieblad (VIB) voor een stof in een mengsel?

Als u uw mengsel vóór of na 1 juni 2015 volgens CLP hebt ingedeeld, geëtiketteerd en verpakt, dan moet u uw verzoek indienen bij ECHA. Het indienen van een verzoek is niet kosteloos. Raadpleeg de legesverordening No 440/2010 voor een overzicht van de kosten. Als u tot 1 juni 2015 uw mengsel nog niet heeft ingedeeld, geëtiketteerd en verpakt conform CLP, dan gelden de bepalingen van het systeem van indeling en etikettering volgens arti kel 15 van Richtlijn 1999/45/EG (Preparatenrichtlijn). In dat geval moet u uw verzoek richten aan de nieuwe Voedsel en Waren Autoriteit. Dit verzoek is gratis. Verzoeken die vóór 1 juni 2015 volgens de Preparatenrichtlijn zijn goedgekeurd, blijven ook na 1 juni 2015 onder CLP geldig. In dat geval is het gebruik van de alternatieve chemische naam onder CLP toegestaan.

Zie voor meer informatie ook hoofdstuk 20 van het inleidend richtsnoer voor de CLP-verordening en de website van ECHA.

Welke verplichtingen gelden er ten aanzien van de taal op het etiket bij het leveren van een product (bijvoorbeeld een schoonmaakmiddel) in Nederland afkomstig uit een ander Europees land?

Voor stoffen en mengsels die op de Nederlandse markt worden gebracht moet de Nederlandse taal op het etiket worden gebruikt. Daarnaast mogen leveranciers de informatie op het etiket ook in andere talen opnemen, mits in alle gebruikte talen dezelfde gegevens worden vermeld. In artikel 17 van de verordening staat waaraan het etiket van een gevaarlijke stof of mengsel moet voldoen. De tekst van CLP kunt u downloaden van de rubriek wetgeving.
Let op!
Naast de andere eisen aan de etikettering van gevaarlijke stoffen en mengsels, gelden er ook andere criteria om stoffen en mengsels in te delen. Deze criteria staan in bijlage I van de verordening. Als u een fabrikant of importeur bent, dan moet u de stoffen of mengsels opnieuw beoordelen. Deze verplichting geldt ook voor sommige downstreamgebruikers (formuleerders en in sommige gevallen voor producenten van voorwerpen). Voor stoffen moet dit uiterlijk op 1 december 2010 gebeuren. Voor mengsels is de deadline 1 juni 2015. Zie ook de overgangsperiode op website.

Hoe moet ik stoffen indelen als de R-zinnen vanuit de Stoffenrichtlijn niet via de transponeringstabel (bijlage VII) kunnen worden omgezet naar een bijbehorende H-zin?

Als de R-zinnen vanuit de Stoffenrichtlijn (Richtlijn 67/548/EG) niet via de omzettingstabel zijn om te zetten naar H-zinnen, dan moet u de criteria in bijlage 1 van de CLP verordening gebruiken (zelfclassificatie).  Paragraaf 1.7 van het Richtsnoer voor toepassing van de CLP Criteria  gaat in op dit onderwerp. In tabel 1.7.2.1(a) van dezelfde paragraaf staat welke indelingen volgens de Stoffenrichtlijn niet met behulp van de transponeringstabel uit bijlage VII zijn om te zetten. Het gaat bijvoorbeeld om stoffen met de indeling R2, R3, R8 (vloeistof/vaste stof), R11 (vaste stof) en R15. Hoofdstuk 2 van hetzelfde Richtsnoer legt uit hoe u deze stoffen wel kunt indelen volgens de CLP criteria

De PGS-15 verwijst voor de opslag van CMR-stoffen naar de indeling van de stoffen genoemd in Annex VI van CLP en de SZW-lijst van kankerverwekkende, mutagene, en voor voortplanting giftige stoffen. Hoe moet een bedrijf of vergunningverlener hiermee omgaan

Bij de beoordeling van de opslagsituatie moet zowel de indeling van de stof in Annex VI als de indeling op de SZW-lijst worden meegenomen. Dit volgt uit de definitie van de CMR stoffen in PGS15. Hierbij is het noodzakelijk uit te gaan van de meest strenge indeling van een stof.

Hoe moet ik omgaan met de ATP's van de Stoffenrichtlijn (67/548/EEG) die de Europese Commissie heeft gepubliceerd?

De wijzigingen in bijlage I van 67/458 (via de ATP's), zijn inmiddels via een 1e ATP van de CLP Verordening doorgevoerd in bijlage VI. Deze wijzigingen zijn pas wettelijk bindend op 1 december 2010. Dit staat in de tekst van 1e ATP. Bedrijven mogen de informatie uit de latere ATP's  wel gebruiken (bijvoorbeeld voor de omzetting naar de nieuwe CLP classificatie) maar dat is niet verplicht. Hetzelfde geldt voor het opnemen van de informatie in het Veiligheidsinformatieblad. De Europese commissie adviseert bedrijven dit zeker te doen wanneer sprake is van stoffen die nog niet in bijlage VI van CLP staan.

Is het mogelijk om voor andere gevarenklassen een geharmoniseerde indeling van een stof vast te stellen?

Ja, dat is mogelijk.

Wie maakt een voorstel voor harmonisatie van een indeling en etikettering?

Bevoegde instanties van EU lidstaten, fabrikanten, importeurs of downstreamgebruikers van stoffen kunnen voorstellen voor geharmoniseerde indeling indienen. Bevoegde instanties hebben deze mogelijkheid voor alle stoffen. Voor fabrikanten, importeurs of downstreamgebruikers geldt dat zij deze mogelijkheid alleen hebben als voor een stof een bepaalde gevarenklasse of onderverdeling daarvan, niet is opgenomen in deel 3 van bijlage VI. Als deel 3 van bijlage VI wel een vermelding voor een stof bevat, dan kunnen fabrikanten, importeurs en downstreamgebruikers op basis van de beschikbare informatie een voorstel tot wijziging indienen. Dit moeten zij doen bij de bevoegde instanties van een lidstaat waar de stof in de handel is gebracht (artikel 37, lid 6).

Alleen bevoegde instanties van EU lidstaten kunnen een voorstel voor geharmoniseerde indeling en etikettering van werkzame stoffen in de zin van Richtlijn 91/414/EEG en 98/8/EG (resp. landbouwbestrijdingsmiddelen en biociden) indienen.

Heeft de Enige Vertegenwoordiger, Only Representative, onder CLP een meldingsplicht?

Nee, de Enige Vertegenwoordiger heeft geen rol onder CLP. Onder REACH is hij verantwoordelijk voor de registratie van stoffen die door niet-EU fabrikanten worden gemaakt. Bij de registratie is hij verplicht de informatie over de indeling en etikettering van een stof in het registratiedossier te vermelden. Als het dossier gegevens bevat over de classificatie volgens de Stoffenrichtlijn, moet hij het dossier volgens artikel 22 van REACH actualiseren en CLP classificatie vermelden.
De meldingsplicht ligt dus bij de individuele importeurs van de stof. Als zodanig hebben zij onder CLP ook de verplichtingen van importeurs. Opmerking: in geval van een enige vertegenwoordiger, hebben die importeurs onder REACH, de rol van downstream gebruiker.

Waarom staan in tabel 3.1 van Annex VI geen veiligheidsaanbevelingen (in de vorm van P-zinnen)?

De P-zinnen zijn niet standaard opgenomen omdat ze worden vastgesteld aan de hand van de criteria uit bijlage IV, deel 1. Ook zijn ze gekoppeld aan de beoogde of geïdentificeerde vormen van gebruik van de stof of het mengsel. Dat is dus maatwerk en bedrijven zijn verplicht de P-zinnen voor stoffen waarvoor een geharmoniseerde indeling bestaat, zelf af te leiden. Artikel 22 en 28 geven een toelichting op hoe bedrijven de veiligheidsaanbevelingen kunnen kiezen. Bijlage IV bevat de criteria hiervoor. Bijlage I (deel 2 t/m 5) bevat voor elke gevarenklasse een volledige lijst van mogelijke P-zinnen. Het Richtsnoer voor etikettering en verpakking in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 1272/2008 geeft een toelichting op hoe het juiste aantal P-zinnen kan worden geselecteerd.

Bestaat er een prioriteitsvolgorde voor de P-zinnen?

In artikel 22 en 28 van CLP staat informatie over hoe bedrijven de keuze van de veiligheidsaanbevelingen moeten maken. De P-zinnen worden vastgesteld aan de hand van het gebruik van de stof of het mengsel. Artikel 28 beschrijft de voorrangsbeginselen voor veiligheidsaanbevelingen. Het Richtsnoer voor etikettering en verpakking in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 1272/2008 (externe link) geeft een toelichting op hoe het aantal  P-zinnen beperkt kan worden tot de zes die CLP voorschrijft als maximum (tenzij in uitzonderingsgevallen meer zinnen nodig zijn om de aard en de ernst van de gevaren aan te geven).

Welke CLP pictogrammen horen op vaten met infectueus of radioactief materiaal?

Geen. Infectueus materiaal en radioactieve stoffen vallen niet onder CLP. De verordening is niet van toepassing op radioactieve stoffen (artikel 1, lid 2 onder a). Infectueus materiaal  -specifiek ziekenhuisafval, infectieuze micro-organismen en diagnostische monsters die direct na analyse de bestemming ‘afval’ krijgen - zijn afvalstoffen en vallen ook niet onder CLP (artikel 1, lid 3). Op deze materialen is andere wetgeving van toepassing zoals de afvalstoffenwetgeving, vervoerswetgeving en de wetgeving over radioactieve stoffen.

Onder de Stoffenrichtlijn werd op etiketten de term ‘stof nog niet volledig getest’ of ‘niet volledig geteste stof’ gebruikt. Hoe moet ik daarmee omgaan onder CLP?

Onder CLP is het niet toegestaan om de tekst ‘stof nog niet volledig getest’ of ‘niet volledig geteste stof’ op een etiket te gebruiken.
De verplichting om op het etiket de waarschuwing ‘niet volledig geteste stof’ te vermelden, gold onder de Stoffenrichtlijn (67/548/EEG) tot 1 juni 2008. Deze verplichting was van toepassing op nieuwe stoffen met een kennisgevingplicht. Alleen stoffen met een marktvolume minder dan 1 ton per jaar en voor tussenproducten met een beperkt testpakket vielen onder deze bepaling. De betreffende bepaling in de Stoffenrichtlijn is per 1 juni 2008 vervallen en daarmee ook de verplichting om op etiket te vermelden dat stof niet volledig is getest.

Echter, bij de indeling van een mengsel geldt in geval van acute toxiciteit het volgende: wanneer van een bestanddeel geen bruikbare informatie beschikbaar is en de concentratie daarvan in het mengsel is ten minste 1% dan mag op het etiket en in het veiligheidsinformatieblad de volgende aanvullende tekst staan: ‘Het mengsel bestaat voor x procent uit bestanddelen waarvan de giftigheid niet bekend is’ (zie bijlage I sectie 3.1.3.6.2.2).

Bestaat er voor alle gevaarlijke eigenschappen een geharmoniseerde indeling?

Nee, veel stoffen in bijlage VI hebben slechts een geharmoniseerde indeling voor enkele eigenschappen.

NB: Het is een van de doelstellingen van de verordening om een uniforme (geharmoniseerde) indeling en etikettering toe te kennen aan stoffen die voldoen aan de criteria

  • voor mutageniteit in geslachtscellen,
  • kankerverwekkendheid en
  • voortplantingstoxiciteit (CMR-stoffen) en
    • sensibilisatie van luchtwegen (bijlage 1) en
    • voor alle landbouwbestrijdingsmiddelen en biociden

Geldt er een ondergrens voor de melding van de indeling en etikettering?

Neen, de verplichting om te melden is onafhankelijk van het marktvolume van de stof.

Hoe moet de melding aan ECHA plaatsvinden?

Voor het indienen van een melding moet gebruik worden gemaakt van REACH-IT. Op de volgende webpagina van ECHA vindt u meer informatie over het indienen van een melding

Is het mogelijk om bij een melding conform artikel 40 van CLP de naam van de stof als vertrouwelijk aan te merken?

Ja, fabrikanten en importeurs kunnen in bepaalde gevallen de handelsnaam en de IUPAC naam van stoffen als vertrouwelijk aanmerken wanneer ze deze melden voor opname in de CLP inventaris van indeling en etiketteringen. In de REACH verordening staat voor welke stoffen dit mogelijk is (artikel 119 lid 2f en g). De IUPAC naam van de volgende stoffen kan als vertrouwelijk worden opgenomen:

  • Niet-geleidelijk geïntegreerde stoffen,
  • Stoffen die alleen op één van de volgende manieren worden gebruikt:
    - als een tussenproduct;
    - in wetenschappelijk onderzoek en ontwikkeling;
    - in onderzoek en ontwikkeling gericht op productie en proces.

Bedrijven kunnen bij ECHA met geldige onderbouwing een verzoek indienen om de IUPAC naam bij een melding als vertrouwelijk in de inventaris op te nemen. Als het verzoek wordt toegekend dan wordt de IUPAC naam niet gepubliceerd op de ECHA website. Bedrijven kunnen het verzoek om de IUPAC naam als vertrouwelijk aan te merken alleen via IUCLID indienen. Om een alternatieve naam af te leiden kunt u gebruik maken van de Guidance "How to derive a Public Name for a substance for use under the REACH Regulation".

Voor meer informatie zie de veelgestelde vraag 226 op de volgende webpagina van ECHA.

Wat is de relatie van CLP met het ADR?

Zowel CLP als de transportregelgeving zijn gebaseerd op afspraken die op VN-niveau zijn gemaakt. CLP richt zich echter op de levering en het gebruik van chemische stoffen en mengsels in Europa. De afspraken voor transport zijn bindend en wereldwijd geharmoniseerd in transportregelgeving, zoals het ADR. Veel van de VN-GHS criteria - in het bijzonder de fysische gevarenklassen - zijn al geïmplementeerd in het ADR. Er zijn echter ook verschillen: zo ontbreken de criteria voor CMR-stoffen in het ADR en komen de gevarensymbolen niet overeen. Deze symbolen hebben een andere kleur dan de symbolen op gebruiksverpakkingen. De criteria voor de meeste classificaties zijn nu echter wel gelijk.

 ADR en CLP indelingen komen overeenkomen waar het dezelfde gevarenklasse betreft. Omdat ADR een ander doel heeft zijn er echter minder gevarenklassen relevant voor ADR.

Wordt de PGS-15 aangepast aan CLP?

De PGS15 richtlijn voor opslag van verpakte gevaarlijke stoffen is gebaseerd op in eerste instantie de ADR (transport) indeling van producten. Alleen wat betreft CMR stoffen werd verwezen naar de voormalige stoffen-richtlijn. In 2011 is PGS15 aangepast en wordt voor wat betreft CMR stoffen (categorie 1A en 1B) verwezen naar PGS15 (2011) en inmiddels naar CLP.

Kan een bedrijf een voorstel voor harmonisatie indienen?

Ja, bedrijven kunnen een voorstel voor geharmoniseerde indeling indienen bij ECHA. Zij moeten dit doen volgens bijlage I van Verordening 1907/2006/EG (REACH). Het gaat dan om de punten 1, 2, 3 en het formaat in deel B van het chemische veiligheidsrapport (punt 7) van die bijlage (artikel 37, lid 2). Voor meer informatie raadpleegt u de .Guidance on the preparation of dossiers for harmonised classification and labelling.

Moeten bedrijven voor het indienen van een voorstel van harmonisatie van stoffen betalen?

Bedrijven moeten alleen een vergoeding betalen voor het indienen van een voorstel voor geharmoniseerde indeling van stoffen die voldoen aan andere criteria dan genoemd onder artikel 36, lid 1 (CMR-stoffen en sensibilisatie via de luchtwegen).

Is het mogelijk om bezwaar te maken tegen een geharmoniseerde indeling?

Nee, dat is niet mogelijk. Wel kan iedereen in het proces tot vaststellen van een geharmoniseerde indeling zijn/haar zienswijze inbrengen:

.

Wat betekent het voor de indeling van een mengsel als het een stof bevat die opgenomen is op de SZW-lijst met een indeling die afwijkend is van de indeling in Annex VI van de CLP?

Als het een mengsel betreft, moet de leverancier voor de indeling van de afzonderlijke stoffen uitgaan van Annex VI van de CLP- verordening. Behalve voor die gevaar categorieën die voor de betreffende stof niet in Annex VI van CLP zijn opgenomen. Als de betreffende stof niet op Annex VI staat, moet de leverancier de stof zelf indelen op basis van alle beschikbare informatie (dus ook een indeling op de SZW-lijst).

Als in een mengsel een stof zit die op de SZW-lijst staat met een indeling die afwijkt van de indeling in Annex VI, wat moet ik dan doen?

In rubriek 2 dient de leverancier de indeling van het mengsel op te nemen. Daarnaast moet de leverancier in rubriek 15 vermelden dat het mengsel een stof bevat die op de SZW-lijst staat. Ook moet de leverancier advies geven over acties die gebruikers moeten nemen door de vermelding van de stof in het mengsel op de SZW-lijst. Eventueel kan de leverancier verwijzen naar het onderliggende rapport van de Gezondheidsraad.

Wanneer gelden afwijkende etiketteringsvoorschriften en waar staan die in CLP?

De etiketteringsvoorschriften staan in artikel 17 en bijlage I (sectie 1.2) van de CLP. In bijlage I, sectie 1.2.1.3 van de CLP verordening staan de minimale afmetingen voor etiketten en pictogrammen.. In artikel 17 staat welke informatie op het etiket moet staan.

In een aantal gevallen is afwijken van deze eisen toegestaan. Zo geeft artikel 23 (en bijlage 1 sectie 1.3) een overzicht van de bijzondere gevallen waarvoor afwijking van de etikettering voorschriften is toegestaan (o.a. voor bepaalde gasflessen, aerosolen en legeringen). Artikel 29 geeft verder nog twee typen uitzonderingen die zijn uitgewerkt in CLP bijlage I onder punt 1.5. De eerste uitzondering geldt voor kleine of vreemd gevormde verpakkingen waarop niet alle verplichte talen geplaatst kunnen worden, nodig voor een bepaalde lidstaat (punt 1.5.1). De tweede gaat over verpakkingen van maximaal 125 ml (punt 1.5.2).  In het eerste geval zijn onder voorwaarden alternatieven mogelijk (zoals een uitvouwetiket), in het tweede geval kunnen onder voorwaarden etiketteringsonderdelen worden weggelaten.

Bij ruimtegebrek op een etiket waarvoor de vrijstellingen niet van toepassing zijn moet een etiket dus groter worden gemaakt om meer tekst kwijt te kunnen. Lees voor meer informatie § 5 van het richtsnoer.

Mag een leverancier de naam, het adres en telefoonnummer van een afnemer gebruiken op het etiket?

Ja, het is toegestaan voor een leverancier om in opdracht de adresgegevens van een afnemer te gebruiken op het etiket (private labelling). Omdat dit in opdracht van een afnemer gebeurt krijgt de leverancier - naast een eventuele andere rol-  ook de rol van distributeur. Meer informatie hierover vindt u in paragraaf 4.1 van het richtsnoer voor etikettering en verpakking in overeenstemming met de CLP verordening.

Voor enkele stoffen veranderen de drempelwaarden onder CLP. Welke gevolgen heeft dit voor de drempelwaarden onder het BRZO?

Bijlage 1 van het BRZO verwees voor de indeling van stoffen en mengsels naar de Stoffenrichtlijn (67/548/EEG) en de Preparatenrichtlijn (1999/45/EG). Nu deze richtlijnen zijn vervangen door CLP, en chemische producten onder CLP mogelijk een andere indeling hebben gekregen, heeft CLP gevolgen voor Brzo.

Het huidige BRZO (2015) is gebaseerd op de Seveso III richtlijn. Op Europees niveau zijn  de consequenties van CLP op de Seveso richtlijn  beoordeeld en is de Seveso richtlijn aangepast. Met de aanpassing is getracht de gevolgen van CLP minimaal te houden (wat het aantal bedrijven binnen de scope van de richtlijn betreft) en de bescherming gelijk. Bedrijven moeten zelf beoordelen of de nieuwe Brzo 2015 al dan niet gevolgen voor hen heeft. Lees hier voor meer informatie.

Is bekend wanneer het ADR wordt aangepast zodat de etikettering en indeling gelijk is aan CLP?

Het ADR wordt niet aangepast aan CLP. Na de invoering van CLP blijft de transportindeling en -etikettering hetzelfde. Het ADR beschrijft de criteria voor indeling en etikettering bij het transport van gevaarlijke stoffen en mengsels. CLP beschrijft de criteria voor indeling en etikettering bij de levering en het gebruik van stoffen en mengsels.  Meer informatie over de gevarenindeling voor transportclassificatie is te vinden op de website van de Inspectie Leefomgeving en Transport.

Wat moet een bedrijf doen als het over informatie beschikt die tot een wijziging kan leiden van de geharmoniseerde indeling in Annex VI van CLP?

In dit geval kan het bedrijf een voorstel indienen bij de bevoegde autoriteit in een van de lidstaten waar de stof in de handel is gebracht (artikel 37, lid 6).

Ik heb een product dat is ingedeeld, geëtiketteerd en verpakt volgens de Preparatenrichtlijn in mijn magazijn liggen. Wat is de uiterste datum waarop ik dit product met de etikettering volgens de Preparatenrichtlijn aan consumenten mag verkopen?

Voor 1 juni 2015 binnen de EU geproduceerde of geïmporteerde producten die al aan een derde partij zijn uitgeleverd, zijn in de handel. Deze producten vallen onder de overgangstermijn als ze zijn ingedeeld, voorzien van een etiket en verpakt volgens de Preparatenrichtlijn. De producten die al in de handel zijn (in de toeleveringsketen) mogen dus tot uiterlijk 1 juni 2017 door de keten verhandeld worden en dus ook aan de consument worden verkocht.

Producten geproduceerd voor 1 juni 2015 die niet in de handel zijn gebracht, vallen niet onder de overgangstermijn. Deze producten moeten na 1 juni 2015 ingedeeld, geëtiketteerd en verpakt worden conform de CLP verordening voordat ze in de handel mogen worden gebracht.

Waar vind ik de originele pictogrammen die ik kan gebruiken voor nieuw te maken etiketten?

De officiële pictogrammen staan in de bijlage V van de Europese verordening. Deze bijlage kunt u downloaden op de pagina Wetgeving. De pictogrammen in drukformaat zijn te downloaden van de UN-website.

Als importeur breng ik stoffen in de handel en heb ik de verplichting deze in te delen en te etiketteren. Ben ik daarnaast ook verplicht ECHA in kennis te stellen?

Ja, u bent verplicht om elke indeling en etikettering van stoffen die u in de handel brengt te melden aan ECHA. Stoffen die u op of na 1 december 2010 in de handel brengt, moet u uiterlijk 1 maand na die datum aan ECHA melden. Stoffen die voor 1 december 2010 in de handel zijn gebracht, konden u al voor die datum worden gemeld
Als de informatie voor de melding al aan ECHA is gegeven in het kader van een registratie dan vervalt de meldingsplicht. Voor meer informatie zie de volgende pagina van de CLP website.

Wat betekent het voor de indeling van een stof als de stof op de SZW-lijst afwijkend (minder streng of strenger) is ingedeeld dan in Annex VI van de CLP?

De indeling in Annex VI is wettelijk bindend voor het in de handel brengen van stoffen en mengsels, alsmede voor de registratie van stoffen onder REACH. Een leverancier moet een stof indelen en etiketteren voor de gevaar categorieën die in Annex VI voor de desbetreffende stof staan vermeld. Voor gevaar categorieën die voor de stof niet in de Annex VI staan, moet de leverancier de stof zelf indelen op basis van alle beschikbare informatie. Bij deze zelfclassificatie  moet hij ook de indeling op de SWZ-lijst meenemen..

Op de SZW-lijst staat – op advies van de Gezondheidsraad - een groot aantal stoffen vermeld. De Gezondheidsraad heeft dit advies uitgewerkt in een rapport. Een afwijking van het advies van de Gezondheidsraad moet worden onderbouwd met informatie.

Los van de verplichting om de stof zelf in te delen heeft de leverancier de mogelijkheid bij ECHA een voorstel voor geharmoniseerde classificatie in te dienen.

Zie voor meer informatie de ECHA website en de rubriek op deze website.

Welke stoffen moet ik melden voor de inventaris voor indeling en etikettering?

De volgende stoffen moet u melden:

  • Stoffen die ingedeeld zijn als 'gevaarlijk' onder de CLP verordening en op de markt worden gebracht, dit ongeacht de hoeveelheid; en
  • Stoffen die ingedeeld zijn als 'gevaarlijk' onder de CLP verordening, en die in mengsels aanwezig zijn in concentraties boven de ondergrenzen genoemd in bijlage I van de verordening, of richtlijn 1999/45/EG en die - indien van toepassing - leiden tot in de indeling van het mengsel als gevaarlijk, en indien het mengsel op de markt wordt gebracht.
  • Stoffen die onder de registratieplicht van REACH vallen en op de markt worden gebracht, tenzij de leverancier de stof al heeft geregistreerd met een indeling en etikettering overeenkomstig de CLP verordening (samen met de indeling overeenkomstig de stoffenrichtlijn).

Wat wordt verstaan onder de inventaris van indeling en etikettering? En wat is het doel ervan?

De inventaris is een openbare databank die informatie bevat over de indeling en etikettering van in de handel gebrachte stoffen. Deze informatie is afkomstig van de verplichte meldingen die importeurs en fabrikanten van stoffen moeten doen. Ook bevat de inventaris de informatie over de geharmoniseerde indelingen (bijlage VI van de verordening). De inventaris wordt door het ECHA gemaakt en bijgehouden met als doel om:

  • te dienen als communicatie-instrument over de gevaren van stoffen en mengselsvoor het algemene publiek, de bevoegde instanties en leveranciers
  • te dienen als bron van basisinformatie over ingedeelde stoffen en niet ingedeelde registratieplichtige stoffen die op de markt zijn gebracht
  • onenigheid over de indeling en etikettering van een stof inzichtelijk te maken om zo te wijzen op de noodzaak van verder overleg, evaluatiebehoeften of de behoefte om een specifieke stof in te delen en te etiketteren
  • te dienen als instrument voor het beheersen van risico's in geval bijvoorbeeld bevoegde instanties van lidstaten de behoefte voor potentiële autorisaties en restricties van gevaarlijke stoffen onder REACH willen onderzoeken